Richtlijn kostenveroordeling Hof van Discipline 2021

In deze richtlijn zijn de per 1 januari 2021 gewijzigde uitgangspunten vastgelegd die het hof van discipline in acht neemt bij het opleggen van kostenveroordelingen. Onder omstandigheden kan aanleiding bestaan om van deze uitgangspunten af te wijken.

Deze richtlijn wordt ter voorlichting gepubliceerd en daaraan kunnen geen rechten of verplichtingen worden ontleend. Deze richtlijn vervangt voor het hof van discipline de “Richtlijn Kostenveroordeling Hof en raden van discipline 2018”. Met de wijziging van deze richtlijn is beoogd de kostenveroordelingen in tuchtprocedures voor de juridische beroepen (advocatuur, notariaat en deurwaarderij) te harmoniseren.

De nieuwe richtlijn geldt voor procedures bij het hof van discipline voor tuchtzaken die vanaf 1 januari 2021 bij het hof van discipline zijn aangebracht.

Algemeen

Volgens artikelen 48ac en 57 lid 2 van de Advocatenwet kan het hof van discipline de advocaat in de kosten van de procedure veroordelen als in beroep de klacht gegrond wordt verklaard of gegrond blijft en aan de advocaat een maatregel wordt opgelegd. De klager kan in beginsel niet in de kosten worden veroordeeld.

Richtlijn, afwijken mogelijk

Voor eenduidigheid en voorspelbaarheid in de toepassing van de regels in de praktijk is deze richtlijn opgesteld. Het is een richtlijn, dat wil zeggen dat ervan afgeweken kan worden als dat nodig wordt geacht.

Kostenveroordeling: uitgangspunt is ja, tenzij

De wetgever heeft het oordeel over (de hoogte van) de kostenveroordeling bij de tuchtrechter gelaten. Het uitgangspunt daarbij is: altijd een kostenveroordeling opleggen, tenzij er bijzondere omstandigheden zijn om dit niet te doen. Dat betekent dat als aan de wettelijke voorwaarde is voldaan dat de klacht (gedeeltelijk) gegrond is en aan de advocaat een maatregel is opgelegd, in beginsel de in deze richtlijn genoemde kostenveroordeling wordt opgelegd, ook in het geval de klager daarom niet heeft gevraagd (dus ook ambtshalve).

Drie soorten kostenveroordeling

Er zijn drie soorten kostenveroordelingen:
a) ten behoeve van de klager;
b) ten behoeve van de Nederlandse Orde van Advocaten en;
c) ten behoeve van de Staat.
Deze kunnen naast elkaar worden opgelegd.

Ad a) Kosten van de klager

Op grond van deze richtlijn moet de advocaat aan de klager (naast het griffierecht) vergoeden:

  1. de kosten van de klager (bijvoorbeeld aan reis- en verletkosten), die worden vastgesteld op een forfaitair bedrag van € 50;
  2. de kosten van de klager in verband met door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (bijvoorbeeld een advocaat), die worden vastgesteld door het toekennen van punten aan de verrichte proceshandelingen (bijvoorbeeld het indienen van een beroepschrift of het bijwonen van een zitting), met een maximum van twee (tenzij naar het oordeel van het hof van discipline sprake is van een bijzondere proceshandeling waaraan een nader punt kan worden toegekend). De waarde per punt wordt vastgesteld op een bedrag van € 525.

Ad b) kosten van de NOvA ten behoeve van de tuchtcolleges

Daarnaast kan de advocaat worden veroordeeld in de kosten die de Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA) in verband met de behandeling van de klacht heeft moeten maken (de kosten van de griffies en de advocatenleden van de tuchtcolleges).

Deze forfaitaire kosten bedragen: € 1.000.

Bij de bepaling van de hoogte van deze bedragen is rekening gehouden met de gemiddelde kostprijs voor de NOvA per zaak en de samenhang met de kosten van de Staat (zie c. hierna).

Ad c) kosten van de Staat ten behoeve van de tuchtcolleges

Tenslotte kan de advocaat worden veroordeeld in de overige kosten die de Staat in verband met de behandeling van de zaak heeft moeten maken (zoals de kosten van de rechterlijke leden van de tuchtcolleges en het gebruik van de zittingszaal). Deze kosten worden overigens ingevolge de Wet Doorberekening kosten juridische beroepen vervolgens door de Staat doorberekend aan de NOvA.

Deze forfaitaire kosten bedragen: € 1.000.

Bij de bepaling van de hoogte van deze bedragen is rekening gehouden met de gemiddelde kostprijs voor de Staat per zaak en de samenhang met de kosten van de NOvA (zie b. hierboven).

Wegingsfactoren

Bij het vaststellen van de vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand en de kosten van de behandeling van de zaak worden wegingsfactoren gehanteerd die gerelateerd zijn aan het gewicht van de zaak. Voor zeer lichte zaken is de factor 0,25, voor lichte zaken is die 0,5 en voor alle andere zaken is die 1. Het gewicht van de zaak is afhankelijk van de feitelijke en/of juridische complexiteit van de zaak. Een zaak die met een waarschuwing eindigt is dus niet daarom een (zeer) lichte zaak. De proceskostenveroordeling betreft immers (een bijdrage in) de vergoeding van de kosten van klager en het tuchtcollege en is geen bijkomende maatregel.

Bij uitzondering lagere bedragen

Het hof van discipline kan uit eigen beweging of op – gemotiveerd – verzoek van de advocaat geen of lagere bedragen opleggen, als bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven.

Vastgesteld op 24 december 2020