Procesreglement hof van discipline

Procesreglement hof van discipline

Dit reglement bevat de uitgangspunten die het hof van discipline (hierna: het hof) hanteert bij de behandeling van de hierna te noemen procedures. Het hof kan van deze uitgangspunten afwijken.

Hoger beroep tegen beslissing raad van discipline op klacht 1. De mogelijkheid om hoger beroep in te stellen

1.1 Tegen een beslissing van een raad van discipline (hierna: de raad) op een klacht kan op grond van artikel 56 Advocatenwet schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het hof. In het beroepschrift moet worden gemotiveerd waarom bezwaar wordt gemaakt tegen de beslissing van de raad. Een kopie van die beslissing van de raad moet worden bijgevoegd.

1.2 Hoger beroep kan worden ingesteld door:

– de klager, als de raad de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond heeft verklaard of als, bij gegrondverklaring van de klacht, het verzoek als bedoeld in artikel 48 lid 9 Advocatenwet is afgewezen; – de beklaagde advocaat; – de deken van de orde waartoe de betrokken advocaat behoort;

– de deken van de algemene raad.

1.3 Het beroepschrift moet uiterlijk op de 30e dag na de datum waarop de raad de beslissing heeft verzonden (de verzenddatum staat onderaan de beslissing van de raad vermeld) door de griffie van het hof zijn ontvangen.

2. De indiening van processtukken

2.1 Het beroepschrift wordt bij voorkeur ingediend per e-mail (griffie@hofvandiscipline.nl. De eventueel bij het beroepschrift behorende bijlagen moeten bij afzonderlijke e-mail worden ingediend. Het e-mailreglement van de tuchtcolleges advocatuur is ook van toepassing op de indiening van (overige) processtukken. Dit e-mailreglement is gepubliceerd op de website van het hof: hofvandiscipline.nl.

2.2 Processtukken kunnen ook als volgt worden ingediend: – per post: postbus 85452, 2508 CD Den Haag; – per fax: 088-2053701; – bezorging: de griffie is gevestigd in Den Haag aan het adres Kneuterdijk 1. Bezorging kan op werkdagen tussen 9.00 uur en 15.00 uur. Vooraf moet daarvoor telefonisch

een afspraak worden gemaakt met de griffie (088-053777). 2.3 Processtukken moeten in de Nederlandse taal worden ingediend.

3. De procedure

3.1 De griffie stuurt een ontvangstbevestiging aan degene die het beroepschrift heeft ingediend.

3.2 De (plaatsvervangend) voorzitter van het hof kan kennelijk niet-ontvankelijke en kennelijk ongegronde beroepen en beroepen die naar zijn/haar oordeel niet tot een andere beslissing dan die van de raad zullen leiden, bij voorzittersbeslissing afwijzen.

3.3 De griffie stuurt een exemplaar van het beroepschrift met eventuele bijlagen aan de wederpartij met het verzoek daarop schriftelijk te reageren (het verweerschrift). De griffie informeert de indiener van het beroepschrift over de gegeven termijn en stuurt aan deze partij een kopie van het verweerschrift toe.

3.4 Het hof kan bepalen dat een zaak niet mondeling wordt behandeld. In dat geval stelt het hof partijen daarvan schriftelijk op de hoogte, waarbij wordt meegedeeld op welke datum het hof uitspraak zal doen.

3.5 Als het hof bepaalt dat de zaak mondeling wordt behandeld, stuurt de griffie aan beide partijen een “voorlopige oproep” voor de mondelinge behandeling van de zaak op een zitting van het hof. Als een partij op de aangekondigde datum verhinderd is, moet dat binnen 5 werkdagen aan de griffie worden meegedeeld met opgave van de reden van verhindering. Daarbij moet deze partij de verhinderdata opgeven over een periode van 3 maanden na de aanvankelijk geplande zittingsdatum. Als zoveel verhinderdata worden opgegeven dat een vlot verloop van de procedure daardoor in het gedrang komt, kan het hof bepalen dat met die verhinderdata op een door het hof nader te bepalen wijze geen rekening wordt gehouden.

3.6 Daarna stuurt de griffie een “definitieve oproep” aan partijen met vermelding van de datum en het tijdstip van de mondelinge behandeling. Ook wordt daarbij vermeld welke leden van het hof de zaak zullen behandelen. Alleen om klemmende redenen, zoals overmacht, kan het hof uitstel verlenen en een andere behandeldatum bepalen. Een verzoek om uitstel moet deugdelijk worden gemotiveerd. 3

.7 Als een partij zich bij de mondelinge behandeling wil beroepen op de inhoud van stukken die nog niet bij het beroepschrift of verweerschrift aan het hof zijn toegestuurd, moet deze partij die stukken alsnog zo spoedig mogelijk aan het hof en aan de wederpartij sturen. Dit kan uiterlijk op de 10e kalenderdag voorafgaand aan de mondelinge behandeling. Het hof houdt geen rekening met stukken die daarna worden toegestuurd of waarvan tijdens de mondelinge behandeling blijkt dat die niet door de wederpartij zijn ontvangen, tenzij de wederpartij daar geen bezwaar tegen maakt.

4. De mondelinge behandeling

4.1 De zittingen van het hof zijn openbaar, tenzij het hof anders beslist, en worden gehouden in het gerechtsgebouw in Utrecht (Vrouwe Justitiaplein 1).

4.2 In de definitieve oproep staat vermeld hoeveel tijd het hof reserveert voor de mondelinge behandeling van de zaak. In het algemeen is dit 45 minuten. Als alleen moet worden beoordeeld of het hoger beroep in behandeling kan worden genomen (de ontvankelijkheid), wordt daarvoor meestal 15 minuten gereserveerd.

4.3 Partijen kunnen zich bij de mondelinge behandeling laten bijstaan door een gemachtigde. De naam van de gemachtigde moet vóór de zitting worden doorgegeven aan de griffie.

4.4 Als 45 minuten is gereserveerd, krijgt iedere partij maximaal 10 minuten de gelegenheid om zijn/haar standpunt toe te lichten. Als 15 minuten is gereserveerd, krijgt iedere partij daarvoor maximaal 5 minuten. Als gebruik wordt gemaakt van pleitnotities moeten deze in 5- of 7-voud worden meegenomen, zodat een exemplaar kan worden overhandigd aan de leden van het hof, aan de griffier en aan de wederpartij. In de oproep staat vermeld uit hoeveel leden de kamer is samengesteld. Bij een kamer van 3 leden zijn 5 exemplaren voldoende, bij een kamer van 5 leden 7 exemplaren.

5. De uitspraak

5.1 De voorzitter deelt aan het einde van de mondelinge behandeling mee op welke datum het hof uitspraak doet. Als de zaak niet mondeling is behandeld, informeert het hof partijen schriftelijk over de datum van de uitspraak, zoals hiervoor in artikel 3.4 is bepaald. In zaken waarin alleen de ontvankelijkheid van het hoger beroep wordt beoordeeld, is de uitspraaktermijn in beginsel 4 weken. In alle overige zaken is de uitspraaktermijn in beginsel 8 weken.

5.2 Als een partij niet bij de mondelinge behandeling aanwezig is geweest, kan deze de dag na de zitting bij de griffie informeren op welke datum de uitspraak is bepaald.

5.3 Het hof neemt geen kennis van berichten die aan het hof worden toegestuurd nadat uitspraak is bepaald, tenzij blijkt dat de wederpartij daarmee heeft ingestemd.

5.4 Partijen hoeven niet persoonlijk bij de uitspraak aanwezig te zijn. De griffie stuurt de uitspraak dezelfde dag per aangetekende post of per aangetekende e-mail aan (de gemachtigde van) beide partijen. Een partij kan bij de mondelinge behandeling vragen of de uitspraak per e-mail kan worden toegestuurd. Zo’n verzoek kan een partij ook schriftelijk doen aan de griffie.

Andere regelmatig voorkomende procedures

6.Verzet tegen beslissing (plaatsvervangend) voorzitter (artikel 56b lid 1 Advocatenwet)

6.1 Tegen een beslissing van de (plaatsvervangend) voorzitter van het hof, waarbij het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is verklaard als bedoeld in artikel 56a lid 1 Advocatenwet, kan schriftelijk verzet worden ingesteld.

6.2 Het verzet kan worden ingesteld door degene die het hoger beroep heeft ingesteld en door de deken van de algemene raad.

6.3 Het verzetschrift moet binnen 14 dagen na de verzending van het afschrift van de beslissing van de (plaatsvervangend) voorzitter door de griffie van het hof zijn ontvangen.

6.4 Het verzetschrift kan worden ingediend zoals hiervoor is omschreven in artikel 2. Een kopie van de beslissing van de (plaatsvervangend) voorzitter moet worden bijgevoegd.

6.5 De procedure in verzet is gelijk aan de procedure die hiervoor in de artikelen 3 tot en met 5 is omschreven, waarbij voor de behandeling van het verzet in beginsel 15 minuten wordt gereserveerd. Bij die behandeling beoordeelt het hof alleen of het verzet gegrond of ongegrond is. Als het verzet gegrond wordt verklaard, wordt de klacht op een later moment inhoudelijk beoordeeld.

6.6 De (plaatsvervangend) voorzitter die de beslissing als bedoeld in artikel 6.1 heeft gegeven, maakt geen deel uit van de kamer van het hof die het verzet behandelt.

7. Beklag tegen beslissing deken tot afwijzing verzoek om toewijzing advocaat (artikel 13 Advocatenwet)

7.1. Tegen een beschikking van de deken tot afwijzing van het verzoek om een advocaat aan te wijzen als bedoeld in artikel 13 Advocatenwet, kan de belanghebbende schriftelijk bezwaar maken (beklag doen).

7.2 Het beklag moet binnen 6 weken na de bekendmaking van de beschikking van de deken door de griffie van het hof zijn ontvangen.

7.3 Het beklag kan worden ingediend zoals hiervoor is omschreven in artikel 2. Een kopie van de beslissing van de deken moet worden bijgevoegd.

7.4 Na indiening van het beklag bevestigt de griffie de ontvangst daarvan aan de belanghebbende. Tegelijkertijd stuurt de griffie een exemplaar van het beklag met eventuele bijlagen aan de deken met het verzoek daarop uiterlijk binnen 3 weken schriftelijk te reageren.

7.5 Daarna beslist het hof of: – de belanghebbende nog in de gelegenheid wordt gesteld om te reageren op het antwoord van de deken; – een beslissing op het beklag wordt gegeven op basis van de stukken in het dossier; – het beklag mondeling wordt behandeld op een zitting, waarvoor de belanghebbende en de deken dan worden opgeroepen zoals hiervoor is omschreven in artikel 3.5 en 3.6.

7.6 Als het beklag mondeling wordt behandeld, zijn ook de artikelen 3.5 tot en met 3.7, 4 en 5 van toepassing. Daarbij wordt opgemerkt dat voor de mondelinge behandeling van het beklag in beginsel 15 minuten wordt gereserveerd.

8. Beroep tegen beslissing raad van de orde tot schrapping binnen een jaar (artikel 9 Advocatenwet)

8.1 Bij de behandeling van zo’n beroep als bedoeld in artikel 9 lid 4 Advocatenwet is de procedure in beginsel gelijk aan de procedure die hiervoor in artikel 7 is omschreven. Voor “de belanghebbende” en “de deken” moet dan “de betrokken advocaat” en “de raad van de orde” worden gelezen.

9. Beklag tegen beslissing raad van de orde tot weigering verzoek inschrijving als advocaat (artikel 5 Advocatenwet)

9.1 Bij de behandeling van zo’n beklag als bedoeld in artikel 5 lid 2 Advocatenwet is de procedure in beginsel gelijk aan de procedure die hiervoor in artikel 7 is omschreven, zij het dat partijen altijd zullen worden opgeroepen voor een mondelinge behandeling van het beklag. Voor “de belanghebbende” en “de deken” moet dan “de verzoeker” en “de raad van de orde” worden gelezen.

10. Beroep tegen beslissing raad van discipline tot spoedshalve schorsen en/of treffen voorlopige voorziening (artikel 60ab en 60b Advocatenwet)

10.1 Het beroep als bedoeld in artikel 60ad lid 1 Advocatenwet kan worden ingesteld door de betrokken advocaat, de deken van de orde waartoe de advocaat behoort en de deken van de algemene raad.

10.2 Het beroep als bedoeld in artikel 60b lid 4 Advocatenwet (bij onbehoorlijke praktijkuitoefening) kan worden ingesteld door de advocaat en de deken van de orde waartoe de advocaat behoort. 10.3 Het beroep moet binnen 30 dagen na verzending van de beslissing van de raad door de griffie van het hof zijn ontvangen.

10.4 Bij de behandeling van deze zaken is de procedure in beginsel gelijk aan de procedure die hiervoor in de artikelen 7.3 tot en met 7.6 is omschreven. Voor “de deken” moet dan “de raad van discipline” worden gelezen.

11. Verwijzingsverzoek (artikel 46aa lid 3 en 4 en 46c lid 5 Advocatenwet)

11.1 Als een klacht wordt ingediend tegen (plaatsvervangend) leden-advocaten en de griffier van een raad van discipline (voor zover de griffier advocaat is) of tegen een (plaatsvervangend) deken of een ander lid van de raad van de orde binnen het rechtsgebied van de raad van discipline, wijst de voorzitter van het hof ambtshalve een andere raad van discipline of een andere deken aan om die klacht in behandeling te nemen zoals bepaald in artikel 46aa lid 3 en 4 en artikel 46c lid 5 Advocatenwet. Dit geldt ook als een klacht afkomstig is van een (plaatsvervangend) lid-advocaat of de griffier van de raad van discipline (voor zover de griffier advocaat is).

12. Wrakingsverzoek

12.1 Het hof heeft een wrakingsprotocol, dat de (procedurele) uitgangspunten bevat die het hof hanteert bij de behandeling van een verzoek tot wraking van een lid van het hof. Dit wrakingsprotocol is vermeld op de website van het hof: hofvandiscipline.nl.

13. Herzieningsverzoek

13.1Het hof heeft een herzieningsprotocol, dat de (procedurele) uitgangspunten bevat die het hof hanteert bij de behandeling van een verzoek om herziening van een uitspraak van het hof. Dit herzieningsprotocol is vermeld op de website van het hof: hofvandiscipline.nl.

14. Slotbepaling

14.1Als een voorschrift uit dit reglement niet wordt nageleefd, kan het hof daaraan gevolgen verbinden die het met het oog op de aard van het voorschrift en de ernst van het verzuim passend acht.

Dit Procesreglement is vastgesteld in de vergadering van het presidium van het hof van 10 december 2019 en treedt in werking op 1 januari 2020.