Tijdelijk procesreglement gedurende de Coronaviruscrisis

Tijdelijk procesreglement met ingang van 3 april 2020 tot nader order.

In afwijking dan wel aanvulling op het procesreglement van het Hof van Discipline geldt vanaf vandaag tot nader order een aanpassing op het reguliere procesreglement in verband met de getroffen maatregelen vanwege de Coronaviruscrisis.

Inleidend

Het hof hanteert als uitgangspunten:

– De richtlijnen van het RIVM en de door het kabinet en de rechtspraak afgekondigde maatregelen worden stipt opgevolgd.

– Partijen hebben recht op een beslissing binnen een redelijke termijn in hun (klacht)zaak.

Vanaf 15 maart jl. heeft het hof geen zittingen meer gehouden in Utrecht en dat zal zo blijven zo lang de door het kabinet, en in navolging daarvan door de rechtspraak, getroffen beperkende maatregelen blijven gelden. De zaken die op de zittingen in deze periode behandeld zouden worden, vallen onder de werking van dit tijdelijk procesreglement. Zo lang het houden van een (fysieke) zitting niet mogelijk is, wordt aan partijen een alternatief geboden om toch binnen een redelijke termijn tot een beslissing te komen. In zaken die zich daarvoor lenen, wordt gekozen voor een schriftelijke voortzetting van de procedure door middel van een repliek en een dupliek (een tweede schriftelijke ronde), waarna de zaak voor uitspraak komt te staan. Dit alternatieve aanbod wordt gedaan omdat naar verwachting anders de zaak pas in het najaar 2020 op zitting kan worden behandeld.
In zaken waarin zo een schriftelijke afdoening niet mogelijk is en niet gewacht kan worden met een mondelinge behandeling tot het najaar 2020, wordt de mogelijkheid van video- of telehoren ingezet. Zodra de voorziening niet meer nodig is, zal het Hof van Discipline weer op de normale, gebruikelijke manier zaken behandelen en wordt dit tijdelijk procesreglement ingetrokken.

De griffie van het hof blijft via de gebruikelijke kanalen bereikbaar. Eventuele uitzonderingen daarop worden op www.hofvandiscipline.nl vooraf bekend gemaakt.

Regeling

Artikel 1. De voorzitter van de zittingsdag (verder: de kamervoorzitter) bepaalt welke van de zaken (die op de zittingsdag zou worden behandeld maar vanwege de Coronaviruscrisis niet komen doorgaan) zich lenen voor een schriftelijke afdoening en welke zaken een mondelinge behandeling vereisen. Voor de zaken die een mondelinge behandeling moeten krijgen, maakt de kamervoorzitter onderscheid in spoedzaken, die met video- of telehoren worden behandeld, en zaken die op een reguliere zitting moeten worden ingepland als de zittingen van het hof worden hervat.

Artikel 2a. Partijen worden per e-mail of brief geïnformeerd over de voorgenomen wijze van afdoening (verder: de informatiebrief). In geval van een schriftelijke afdoening, krijgen partijen de mogelijkheid binnen 14 dagen na verzending van de informatiebrief de griffie van het hof te berichten dat zij geen schriftelijke afdoening maar een mondelinge behandeling wensen.

Artikel 2b. Als door de griffie van het hof binnen 14 dagen een verzoek om een mondelinge behandeling wordt ontvangen van partijen, wordt de zaak ingepland op een zittingsdag zodra bekend is wanneer de zittingen worden hervat. Partijen ontvangen te zijner tijd een oproepingsbrief.
In spoedzaken zal (de kamervoorzitter van) de kamer via video- of telehoren partijen horen, waarna de zaak voor uitspraak komt te staan. Daarover ontvangen partijen apart bericht.

Artikel 3a. Indien geen (of een instemmende) reactie van partijen binnengekomen is op de informatiebrief, krijgen beide partijen achtereenvolgens de gelegenheid zich nogmaals schriftelijk uit te laten over de zaak door middel van een repliek en een dupliek (zie verder artikel 4). Partijen krijgen daarvoor een termijn van twee of drie weken. Het hof kan daarbij ook gerichte vragen aan (een van) partijen stellen.

Artikel 3b.  Partijen krijgen twee of drie weken de tijd voor hun re- en dupliek.

Zaken waarvoor een termijn van twee weken geldt zijn:
– beroep tegen beslissing raad in procedures als bedoeld in art. 60ab en 60b (spoedshalve schorsen of treffen van een voorlopige voorziening),
– zaken waar voorvragen –ontvankelijkheidskwesties- spelen (zoals een appelverbod bij een ongegrond verklaard verzet ongegrond bij raad, een beroepschrift buiten de beroepstermijn),
– verzet tegen een voorzittersbeslissing van het Hof van Discipline,
– beklag tegen weigering aanwijzing advocaat (art. 13 AW),
– wrakingsverzoeken,
– beklag tegen weigering verzoek tot inschrijving advocaat in behandeling te nemen (art. 5 AW),
– beklag tegen weigering verzoek om aantekening op tableau als advocaat bij de Hoge Raad (art. 9 AW).

Voor de overige zaken geldt een termijn van drie weken.

Artikel 4. Aan de termijnen voor re- en dupliek wordt strikt de hand gehouden. Zodra repliek binnen de gestelde termijn is ontvangen, krijgt de wederpartij de gelegenheid voor dupliek. Als na het verstrijken van de termijn waarop re- of dupliek had moeten worden ingediend de griffie alsnog een reactie ontvangt, wordt deze in beginsel geweigerd. Een eventueel verzoek tot uitstel voor het indienen van re- of dupliek moet worden gemotiveerd, waarna de kamervoorzitter op dat verzoek beslist.

Artikel 5. Nadat de schriftelijke ronde van repliek en dupliek is afgerond, sluit het onderzoek en komt de zaak voor uitspraak te staan. Partijen ontvangen schriftelijk bericht met de uitspraakdatum. De uitspraak zal in beginsel worden gedaan acht weken nadat het onderzoek is afgerond.