Uitspraak 15 november 2021: kengetallenzaak

Uitspraak 15 november 2021: kengetallenzaak

Het Hof van Discipline heeft een beslissing gegeven over de vraag of een deken als bestuursorgaan in zijn arrondissement (algemene) financiële kengetallen van advocatenkantoren mag opvragen bij wijze van preventief toezicht en of de deken medewerking hieraan kan afdwingen via de tuchtrechtelijke procedure. De uitspraak van 15 november 2021 kunt u hier vinden op tuchtrecht.overheid.nl: https://tuchtrecht.overheid.nl/zoeken/resultaat/uitspraak/2021/ECLI_NL_TAHVD_2021_214.  

Samengevat houdt deze beslissing het volgende in:

Dekenbezwaar (kengetallenzaak). De deken heeft in overleg met verweerders een principieel bezwaar voorgelegd aan de tuchtrechter met betrekking tot de vraag of verweerders gehouden zijn mee te werken aan het informatieverzoek (de Uitvraag) om financiële kengetallen van het kantoor, die door de deken als toezichthouder zijn opgevraagd. De landelijk deken heeft evenals de (lokale) deken en verweerders beroep ingesteld tegen de beslissing van de raad van discipline maar daarbij zelfstandige gronden geformuleerd.

Het hof stelt voorop dat de toezichthoudende taak van de deken is geregeld in art. 45a Aw en de Awb (titel 5.2) en verder is gegeven in art. 3 van de Algemene Beleidsregel toezicht en klachtbehandeling van het College van Toezicht. De handelwijze van de advocaten wordt getoetst aan de normen als omschreven in art. 46 Aw, waarbij de gedragsregels van belang kunnen zijn. Uit Regel 29 jo. Art. 5.20 Awb volgt de verplichting van een advocaat medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitoefening van toezichthoudende bevoegdheden door de deken.

Voor de vraag of de deken bevoegd was de financiële kengetallen uit te vragen, sluit het hof aan bij het door de wetgever geformuleerde doel en karakter van het in de Advocatenwet gewijzigde toezichtstelsel (wpta), namelijk het vroegtijdig en stelselmatig signaleren van normovertredingen en te voorkomen.  Het toezicht van de deken op naleving van de regels en normen door advocaten is met name preventief bedoeld. Het hof oordeelt dat de Uitvraag van de deken voldoet aan de uitgangspunten van de wpta, omdat hierdoor op een objectieve en uniforme wijze inzicht wordt verkregen in de financiële positie en daaraan verbonden (potentiële) risico’s voor advocatenkantoren en hun cliënten. De Uitvraag is een vorm van preventief toezicht in de zin van art. 45a Aw, waarvoor de instrumenten uit titel 5.2 van de Awb kunnen worden aangewend door de deken.

Het hof oordeelt vervolgens dat de Uitvraag redelijk is (en materieel voldoet aan de eisen van artikel 5:13 Awb) toetsend aan de norm ex art. 5:13 Awb) en verweerders derhalve gehouden zijn aan de Uitvraag te voldoen. De deken heeft namelijk voldoende gemotiveerd onderbouwd dat voor effectief preventief toezicht benodigd is dat vroegtijdig voldoende financiële informatie wordt verzameld voor een uniforme analyse en vroegtijdig signalering van risico’s.

Ten slotte oordeelt het hof dat de deken zijn toezichthoudende (bestuursrechtelijke) taken zowel via de bestuursrechtelijke als de tuchtrechtelijke weg kan handhaven. De wetgever heeft bij de invoering van de wpta een duidelijker scheiding tussen het bestuursrecht en tuchtrecht aangebracht maar uitdrukkelijk de tuchtrechtelijke route opengehouden.

Het hof concludeert dat verweerders gehouden zijn aan de Uitvraag van de deken mee te werken en legt conform het verzoek van partijen geen maatregel op aan verweerders vanwege de bijzondere aard van deze procedure.