Veelgestelde vragen

Q&A

Vanwege onderbezetting op de griffie (de administratie) is het op dit moment helaas niet mogelijk om binnen een afzienbare termijn de mondelinge behandelingen van de gewone klachtzaken over advocaten in hoger beroep te plannen of te houden. Gelet op deze situatie is er een “vraag en antwoord rubriek” (Q&A) op de website geplaatst, zodat u kunt terugvinden wat dit voor uw zaak betekent: Q&A (pdf)

Over de volgende onderwerpen worden de griffie veelvuldig vragen gesteld.

Een klachtprocedure start met de indiening van een beroepschrift tegen de beslissing van de raad van discipline. Hierover wordt de wederpartij geïnformeerd, die vervolgens een verweerschrift mag indienen. Daarna is het schriftelijke debat tussen partijen gesloten en is er geen mogelijkheid meer om nieuwe schriftelijke reacties in te dienen. Wel kunnen partijen tot tien dagen voor de mondelinge behandeling van de zaak nog éénmalig aanvullende bewijsstukken indienen. Tijdens de mondelinge behandeling kunnen partijen nadere toelichting geven op hun standpunten.

Processtukken worden per e-mail ingediend. Eventuele bijlagen worden in een pdf-bestand ingediend, per afzonderlijke mail en doorlopend genummerd (productie 1, 2 enz.). Het procesdossier in eerste aanleg hoeft niet te worden ingediend. De griffier vraagt dit dossier op bij de griffie van de raad van discipline.

Het beroepschrift met gronden moet binnen de beroepstermijn van 30 dagen worden ingediend. Dat betekent dat het beroepschrift uiterlijk op de 30e kalenderdag na de datum waarop de raad de beslissing heeft verzonden, door het hof moet zijn ontvangen. Van deze termijn kan geen uitstel worden gegeven.

Het is niet mogelijk om een beroep op nader aan te voeren gronden (ook wel pro forma beroepschrift genoemd) in te dienen. De gronden van het beroep moeten dus direct in het beroepschrift worden vermeld.

Voor alle partijen geldt dat binnen de beroepstermijn hoger beroep moet zijn ingesteld. Later ingesteld beroep (bij wijze van incidenteel appel) wordt niet ontvankelijk verklaard.

Het hof oordeelt in beginsel alleen over de klachten zoals door de raad verwoord in de bestreden beslissing. Nieuwe klachten mogen in de fase van het beroep niet worden aangevoerd. Die worden door het hof niet behandeld.

Het verweerschrift moet in het algemeen binnen 6 weken na ontvangst van het beroepschrift zijn ontvangen. In uitzonderlijke omstandigheden kan contact worden opgenomen met de griffie van het hof over uitstel van deze termijn. Het is niet verplicht een verweerschrift in te dienen. Desgewenst kan tijdens de mondelinge behandeling aan de hand van een schriftelijke pleitnota het standpunt nader worden toegelicht.

Het hof oordeelt over de vraag of de aangeklaagde advocaat tuchtrechtelijke normen heeft overschreden. In uitzonderlijke gevallen kan het hof, indien een klacht gegrond wordt bevonden, aan de klager ook een schadevergoeding van ten hoogste € 5.000,- toewijzen.

Het verdient aanbeveling om verklaringen van personen die een standpunt kunnen onderbouwen schriftelijk vast te leggen en tijdig als bijlage in het geding te brengen. Het hof kan ook getuigen onder ede horen als hij dat nodig vindt. Als tot het horen van getuigen wordt besloten, gebeurt dat in beginsel niet vóór of tijdens de zitting, maar na een tussenuitspraak op een nader te bepalen datum.

De leden van het hof zijn in het dagelijks leven werkzaam als rechter of als advocaat. Het kan gebeuren dat een lid van het hof te dicht bij een zaak staat om daar voldoende onpartijdig over te kunnen oordelen. Het hof probeert zoveel mogelijk te voorkomen dat dit gebeurt. Enkele dagen voor de mondelinge behandeling staat op de website van het hof vermeld welke leden van het hof de zaak zullen behandelen (de kamer). Indien een partij meent dat een lid van de kamer niet over een zaak zou mogen oordelen, dient de partij de griffie hiervan zo spoedig mogelijk op de hoogte te stellen.

Per 1 januari 2021 geldt bij het Hof van Discipline een nieuwe regeling voor proceskostenveroordelingen (https://oud.hofvandiscipline.nl/organisatie/protocollen-en-regelingen/richtlijn-kostenveroordeling-hof-van-discipline-2021/), die wordt toegepast op zaken waarin het beroepschrift na 1 januari 2021 door het hof zijn ontvangen. Deze regeling vervangt de regeling die het hof voorheen samen met de raden van discipline toepaste (en nog toepast in zaken die voor 1 januari 2021 zijn aangebracht bij het hof). Met deze regeling wordt de appeltuchtprocedure op het punt van de proceskosten gelijk getrokken met de procedure van de andere wettelijke appeltuchtcolleges voor de juridische beroepen. De grootste veranderingen voor de proceskostenveroordeling bij het hof zijn de volgende.
– De kostenvergoeding voor de Staat en de Nederlandse Orde van Advocaten is verhoogd van € 1.500,- naar € 2.000,- (ieder ontvangt € 1.000,-). Deze kosten kunnen, als de feitelijke en/of juridische complexiteit van de zaak daar aanleiding voor geeft (“lichte” zaken), worden gematigd door het hof. Dan wordt de kostenveroordeling vermenigvuldigt met een factor van 0,5 of 0,25.
– De klager krijgt een forfaitair bedrag van € 50,- voor reis- en verletkosten. Daarnaast kan de klager een vergoeding krijgen voor de kosten van professionele rechtsbijstand, afhankelijk van de proceshandelingen die zijn professionele gemachtigde voor hem heeft verricht.
– De advocaat aan wie pas in beroep voor het eerst een maatregel wordt opgelegd, wordt voortaan veroordeeld in zowel de kosten van de procedure bij de raad als bij het hof (vgl. art. 48ac lid 1 jo. 57 lid 2 Advw.).

De voertaal tijdens de zitting van het hof is Nederlands. Indien een partij ter zitting door een tolk wil worden bijgestaan, dient hij of zij zelf zorg te dragen voor inschakeling van een tolk. De kosten van de tolk komen voor zijn of haar rekening. Wanneer de klacht geheel of ten dele gegrond wordt verklaard en een maatregel wordt opgelegd, kan in de beslissing worden opgenomen dat deze kosten door de advocaat aan de klager worden vergoed.

De griffier van het hof ontvangt van de raad van discipline de stukken die door de deken zijn aangeleverd. De deken stuurt een afschrift van zijn/haar aanbiedingsbrief aan de raad van discipline naar partijen zodat zij weten welke stukken bij de raad bekend zijn. Als er aanvullende correspondentie is gevoerd wordt deze ook bijgevoegd. Tevens ontvangt de griffie van het hof van de raad van discipline een afschrift van het proces-verbaal van de behandeling bij de raad van discipline. Indien dit stuk niet door de raad is verstrekt kan een afschrift bij de griffie van het hof worden opgevraagd.

De griffie van het hof maakt een inventaris en stuurt deze naar partijen. Bij vragen over de inventaris kunnen partijen bij de griffie informeren of specifieke stukken zich in het dossier bevinden. Als een partij niet beschikt over een specifiek stuk, kan de griffie daarvan een kopie aan hem verstrekken.

(Proces)stukken dienen te worden ingediend in de Nederlandse taal. Indien een beroepschrift binnen de termijn is ingediend en niet is gesteld in de Nederlandse taal, dan geeft de griffier de partij de gelegenheid binnen een vastgestelde termijn van in het algemeen 4 weken het stuk inclusief bijlagen alsnog in begrijpelijk Nederlands in te dienen. Als de vertaling binnen die termijn is ingediend, is het beroepschrift tijdig ingediend. Als de vertaling niet tijdig wordt ingediend wordt de zaak op een zitting behandeld waar slechts de ontvankelijkheid van het beroepschrift wordt beoordeeld. Als het hof het beroep ontvankelijk acht, wordt een nieuwe datum bepaald waarop de klacht inhoudelijk wordt beoordeeld. Ook een verweerschrift dat niet is gesteld in de Nederlandse taal moet binnen een vastgestelde termijn van in het algemeen 4 weken alsnog in begrijpelijk Nederlands worden ingediend.

Het hof verstrekt geen afschriften van het gehele dossier. Partijen zijn immers op de hoogte van de inhoud. Het verstrekken van specifieke stukken is bedoeld om eventuele gemaakte vergissingen te herstellen.

Het hof beschikt over het tuchtrechtelijk verleden van de beklaagde advocaat. Het hof heeft deze gegevens nodig voor het geval aan een advocaat een maatregel wordt opgelegd.  Aangezien een klager geen zeggenschap heeft over een eventueel op te leggen maatregel (het opleggen van een maatregel is uitsluitend aan het hof) krijgt een klager ook niet de beschikking over deze gegevens. Ook op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) worden deze niet verstrekt aan de klager.

Onder meer wanneer op grond van de wet geen hoger beroep mogelijk is of het beroepschrift te laat is ingediend kan het hof, zonder een zitting te houden, een beslissing nemen. In dat geval dient namelijk eerst een beslissing te worden genomen of het beroep kan worden behandeld (de ontvankelijkheid van het beroep). Als het hof geen zitting bepaalt, stelt het hof partijen daarvan op de hoogte. Wordt het beroep ontvankelijk geacht, dan volgt er in beginsel alsnog een behandeling op een zitting.

Voor klager is geen beroep mogelijk als de klacht gegrond is verklaard door de raad van discipline, ook niet als klager het oneens is met de door de raad opgelegde maatregel (artikel 56 lid 1 sub a Advocatenwet). Voor de beklaagde advocaat is geen beroep mogelijk als de klacht ongegrond is bevonden. Er is ook geen beroep mogelijk als de raad van discipline, na een gegeven voorzittersbeslissing, het tegen die beslissing ingestelde verzet ongegrond heeft verklaard (artikel 46h lid 7 Advocatenwet).

Een ingesteld hoger beroep kan uiterlijk tot aan een zitting geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken. Als de zaak eindigt door intrekking van het hoger beroep, blijft de beslissing van de raad van discipline in stand. Als de raad de maatregel van schorsing in de uitoefening van de praktijk heeft opgelegd, bepaalt het hof, nadat de betrokken advocaat is gehoord of behoorlijk opgeroepen, de dag waarop de maatregel aanvangt (artikel 56 lid 5 Advocatenwet).

Een klacht kan gedurende de gehele looptijd van het hoger beroep, tot aan de uitspraak, nog worden ingetrokken. Bijvoorbeeld omdat er een schikking is bereikt. Dat betekent niet altijd dat de behandeling van de klacht ten einde is. Het hof kan bepalen dat de procedure in hoger beroep, ondanks de intrekking, in het algemeen belang wordt voortgezet.

Als een rechtzoekende zelf geen advocaat kan vinden in een zaak waarin een advocaat nodig is, kan hij op grond van artikel 13 lid 1 Advocatenwet de deken vragen hem een advocaat aan te wijzen. Op een dergelijk verzoek beslist de deken van de orde van advocaten in het arrondissement waar de rechtszaak gaat plaatsvinden. Als de deken het verzoek afwijst, kan de rechtzoekende binnen zes weken beklag doen bij het hof. Het hof beoordeelt of de deken gegronde reden had om het verzoek af te wijzen. In de regel neemt het hof in dit soort zaken een beslissing zonder een zitting te bepalen.

De behandelingen vinden niet in toga plaats. Dat geldt voor de leden van het hof, de beklaagde advocaat en de eventuele gemachtigden/advocaten van de klager en de beklaagde advocaat.

Het is niet toegestaan om zonder voorafgaande toestemming beeld- en geluidopnamen te maken. Het hof hanteert de persrichtlijn van de Rechtspraak (te vinden op www.rechtspraak.nl).

keyboard_arrow_up